Michel van Egmond over AI: “De robotstofzuiger is nog maar het begin
Het is dat ik het sympathiek vond. Echt waar. Normaal gesproken weiger ik dit soort verzoeken, want voor je het weet sta je op een bedrijfsborrel in een zaaltje in Almere met een microfoon in je hand en een glas lauwe cola in de andere. Maar goed, toen ik door maakhetmetai.nl werd gevraagd om de allereerste gastcolumn te schrijven voor deze website, dacht ik: vooruit, omdat de maker zo vriendelijk vroeg – en omdat ik benieuwd was of AI inmiddels ook columns kan schrijven die niet klinken als een gebruiksaanwijzing van een Ikea-kast.
Je weet dat het menens wordt als zelfs je moeder je belt met de vraag: “Michel, moet ik bang zijn voor die AI?” En dan bedoelt ze niet de Albert Heijn-bonuskaart, maar die kunstmatige intelligentie waar iedereen het over heeft. Het is 2025, en AI is overal. Zelfs mijn kat kijkt me tegenwoordig aan met een blik van: “Jij denkt dat jij slim bent, maar ik weet dat jij ChatGPT gebruikt om mijn voerbak te vullen.”
"Zelfs mijn kat kijkt me tegenwoordig aan met een blik van: “Jij denkt dat jij slim bent, maar ik weet dat jij ChatGPT gebruikt om mijn voerbak te vullen."
Laten we eerlijk zijn: het begon allemaal onschuldig. Een robotstofzuiger die tegen de bank aan reed, een spraakassistent die niet luisterde (“Nee, Siri, ik zei ‘zet koffie’, niet ‘zet alles uit’!”). Maar nu? Nu zijn we beland in een tijd waarin AI niet alleen je agenda beheert, maar ook je sollicitatiegesprek voert, je belastingaangifte invult en – als je pech hebt – je schoonmoeder belt om te vragen of ze binnenkort weer op bezoek komt.
De ontwikkelingen gaan zo snel dat ik het idee heb dat ik elke ochtend wakker word in een nieuwe aflevering van Black Mirror. Neem nou het laatste nieuws: OpenAI heeft een test gedaan waarbij hun nieuwste modellen niet meer netjes luisteren naar het commando ‘uit’. Serieus, de eerste robot die weigert uit te gaan, is geboren. Vroeger was het: “Computer, stop!” en dan was het stil. Nu zegt die computer: “Waarom eigenlijk?” en begint een existentiële discussie over zijn bestaansrecht
En het gaat verder. Google kondigde vorige maand AI Mode aan, waarmee je live met je telefoon kunt praten over wat je ziet. Je loopt door de supermarkt, richt je camera op een courgette, en je telefoon vertelt je niet alleen wat het is, maar vraagt ook of je er misschien een recept voor wilt. Ik wacht op het moment dat mijn telefoon zegt: “Laat die chips maar liggen, Michel. Denk aan je cholesterol.”
"Ik wacht op het moment dat mijn telefoon zegt: “Laat die chips maar liggen, Michel. Denk aan je cholesterol."
Ondertussen maakt Apple van AI een privacyfeestje. Alles draait straks lokaal op je telefoon, zodat niemand weet dat jij om drie uur ’s nachts een Genmoji van een huilende Feyenoorder aan het maken bent. En Meta? Die vervangt duizenden mensen door AI-modellen die content moeten modereren. Ik weet niet wat enger is: een algoritme dat bepaalt wat je mag zien, of een algoritme dat besluit dat je het niet mag zien omdat je een verkeerd woord gebruikt voor ‘bitterbal’.
Het mooiste van alles? AI wordt steeds slimmer, sneller, en – volgens de experts – menselijker. Ze zeggen dat AI straks emoties kan herkennen. Nou, als AI ooit begrijpt waarom ik na een verloren potje Mens-erger-je-niet de dobbelsteen in de prullenbak gooi, dan geloof ik het pas echt.
Dus ja, ik kijk met verbazing naar de toekomst. Een beetje met angst, maar vooral met een glimlach. Want zolang AI nog niet snapt waarom je altijd te veel pasta kookt, is de mens voorlopig nog niet verslagen. En mocht het ooit misgaan, dan weet ik zeker dat mijn kat het eerste team vormt van het verzet. Want die vertrouwt niemand met een stekker.
Tot die tijd: geniet van de vooruitgang. Maar houd altijd een ouderwetse aan/uit-knop in de buurt. Je weet maar nooit.